ZENDING OP HALMAHERA: EEN GEZAMENLIJKE OPDRACHT.

 

 

Halmahera. Een voor de meeste Nederlanders onbekend eiland In de Noord‑Molukken (Indonesië). Onge­veer ter grootte van tweederde Nederland. Dunbevolkt: er wonen zo'n 300.000 mensen. Ook over Halma­hera is de Geest van Pinksteren gegaan. Er is een zelfstandige kerk, die twee jaar geleden haar veertig jarig bestaan vierde. Al langer dan een eeuw is er een relatie met de kerk in Nederland, door het in de vorige eeuw begonnen zendingswerk van de Utrechtsche Zendingsvereeniging (UZV). Veertig jaar geleden kreeg de UZV, samen met andere zendingsgenootschappen, een kerkelijk dak boven het hoofd: de Raad voor de Zending van de Nederlandse Hervormde Kerk. Namens de hervormde kerk onderhoudt de Raad voor de Zending de relatie met de kerk van Halmahera.

Wat ging er aan de zelfstandigwording van deze Indonesische kerk vooraf? Hoe is de kerk daar nu? En aan welke uitdagingen heeft zij in onze tijd het hoofd te bieden?

 

HET BEGIN

 

In april van dit jaar was het 125 jaar geleden dat de eerste zendelingen van de UZV voet aan wal op Halma­hera zetten. Die gebeurtenis zou je de kiem van de kerk van Halmahera kunnen noemen. Niettemin is het voor de beleving van de christenen op Halmahera van belang terug te gaan naar de zestiende eeuw. Toen immers kwamen de Portugezen, aangetrokken door de kruidnagels die op de eilanden rondom Halmahera groeiden, om handel te drijven met de machtige sultans van Ternate en Tidore. Maar ook kwamen zij om het Evangelie te brengen. De eerste christelijke gemeenschappen op Halmahera zijn dan ook in die tijd ont­staan. Lang hebben die gemeenschappen echter niet bestaan. Nadat de Portugezen de sultan van Ternate vermoordden, ontlaadde de haat van zijn onderdanen zich niet alleen tegen de Portugezen, maar ook te­gen de christenen op Halmahera. Zij werden gedood of gedwongen moslim te worden. Van deze eerste christelijke gemeenschappen is niets overgebleven. Het zou tot in de negentiende eeuw duren voordat het Evangelie opnieuw op Halmahera mocht klinken.

 

De eerste zendeling die zich in 1866 op de oostkust van noord‑Halmahera vestigde was de uit Gelderland afkomstige Van Dijken. De Inwoners van noord‑Halmahera hadden te lijden van de macht van de sultan van Ternate, die hen onderdrukte door voedsel en diensten van hen te eisen. De door de sultan aangestelde moslimhoofden zagen de komst van Van Dijken met argusogen aan. Hem werd dan Ook een plek om zich te vestigen aangewezen, die bekend stond als een plaats waar kwade geesten woonden. Op deze plaats stichtte Van Dijken een nederzetting. Hij kreeg vooral aanhang onder de geknevelde bevolking van noord ­Halmahera die hem zag als een beschermer tegen de moslims en tegen de invloed van Ternate. Slechts wei­nigen echter besloten christen te worden.

De bevolking van Halmahera kende in die tijd weinig geordende landbouw. Men leefde voornamelijk van vis en van wat het bos opleverde: vruchten, wild en vooraf sago, geklopt uit de stam van de sagoboom. Van Dijken zette zich in voor dorpsontwikkeling. Hij wilde de mensen leren zich te ontwikkelen, ook in economisch opzicht, en zich onafhankelijk te maken, zodat zij zouden kunnen delen in een grotere welvaart Dat zou het leven van hen en van de gemeente ten goede komen. Zijn leuze was "door de zichtbaarheid tot de onzichtbaarheid". Dat wil zeggen dat hij geloofde dat door het geven van het goede voorbeeldde mensen niet alleen een beter leven zouden leren leiden, naar ook dat zij de Vader van Jezus Christus zouden leren kennen. Beschavingsopdracht en evangelieverkondiging gingen in die dagen voor de zending hand in hand. Oftewel: onderwijs en gemeentevorming, school en kerk.

 

GROEI

 

Een eerste vrij massale toeloop tot het Christendom vond plaats aan het einde van de vorige eeuw. Door het werk van Van Dijken en anderen had men vertrouwen gekregen in de "orang Belanda", de Nederlanders. Men leerde hen kennen als beschermers tegen de willekeur van de sultan. Na een mislukte opstand tegen het gezag van Ternate waren het vooral de Tobelo ‑een bevolkingsgroep op noord Halmahera‑ die om chris­telijk onderwijs en doop vroegen. ZIJ zagen het als voordeel christen te worden, omdat zij daarmee niet al­leen de bescherming van de zendelingen genoten, maar ook die van het Nederlands Gezag. Zendeling Hueting verzette veel werk om aan deze vraag te voldoen. Aan het begin van onze eeuw waren er 3.200 mensen gedoopt. Hoewel de UZV over dit resultaat verheugd was, was er ook twijfel ten aanzien van de mo­tieven van de Halmaherezen.

 

Om de nieuwe christenen te leren zelfstandig een inkomen te verwerven en om de gemeenten op Halma­hera onafhankelijker te maken van giften uil Nederland, zette Hueting zich in voor de aanleg van plantages. Aanvankelijk probeerde hij het met koffie en tabak, maar dat bleek weinig succesvol. Beter verliep de teelt van klapperbomen. Het gedroogde vruchtvlees van de kokosnoot, de kopra, leverde een inkomen op. De kopra werd verkocht om verwerkt te worden tot zeep en olie. Deze vorm van sociaal-economische ontwikkeling ging een grote rol spelen in de ontwikkeling van de latere kerk van Halmahera. Onder de zendelingen waren er voor‑ en tegenstanders van dit werk. De voorstanders wezen op de rol die de tuinen, eigendom van de gemeenten, konden spelen als een plaats van oefening in rentmeesterschap en verantwoordelijkheid tegenover de Schepper en de samenleving. Tegenstanders wezen op het gevaar dat het op een onder­neming zou gaan lijken, die de handen van de zending zou binden. Deze laatsten hebben gelijk gekregen. De zending had uiteindelijk een klapperonderneming van 200 ha. Helaas viel de prijs van de kopra voortdu­rend tegen. zodat de tuinen onvoldoende inkomsten opbrachten. Noch de UZV noch de gemeenten waren met deze onderneming gebaat.

 

DE JAPANSE BEZETTING

 

Met de Japanse bezetting van Halmahera in 1942 kwam aan het zendeling‑tijdperk een einde. De zendelingen werden geïnterneerd en de Japanners sloten de kerken en zetten de niet‑westerse hulppredikers ge­vangen. Van moslimzijde gingen er stemmen op het Christendom geheel te verbieden. Dat ging de Japanners te ver. Integendeel, zij gaven gehoor aan het verzoek van een groep christenen onder leiding van S.B. Tolo een zelfstandige, dus niet door Nederlanders geleide, kerk te mogen stichten. Deze Gereja Protestan Halmahera werd de voorloper van de huidige kerk.

Aan het einde van de oorlog kwam Halmahera in de frontlinie te liggen. Veel inwoners kwamen door het ge­weld, door ziekten en door gebrek aan voedsel om het leven. Direct na de oorlog keerden de Nederlandse zendelingen terug. Maar het was voor hen duidelijk dat er een nieuw tijdperk begonnen was en dat hun rol een andere zou worden dan voor hun gedwongen vertrek.

 

DE KERK WORDT ZELFSTANDIG

 

Ondanks de vele verwoeste kerkgebouwen en bezittingen slaagden de mensen van Halmahera, samen met de zendelingen, erin, in vrij korte tijd weer veel op te bouwen. Op 6 juni 1949 werd de Gereja Masehi Injili di Halmahera (GMIH ‑ Evangelische Christelijke Kerk op Halmahera) opgericht: een eigen zelfstandige kerk, hoewel de eerste voorzitter nog een Nederlander was: ds. A‑ Ploeger.

Aan opleiding van eigen kader was men door de oorlog niet toegekomen. Daarom wordt door de huidige kerkleiding deze zelfstandigwording als een vroeggeboorte ervaren: men was, zo zegt men nu, er nog niet (voldoende) rijp voor. De behoefte aan zelfstandigwording was echter in die dagen groot door het nationalisme in Indonesië Om het gebrek aan kader het hoofd te bieden werden mensen van elders aangetrokken, vooral van Ambon en van de Sangih‑Talaud‑eilanden. De kerk telde 42.000 leden en was daarmee de groot­ste protestantse kerk van de Noord‑Molukken.

Ondanks het gebrek aan kader zette de kerk de zelfstandigwording door. Tussen 1950 en 1952 verlieten alle zendelingen Halmahera. Door opleiding van eigen mensen kreeg de kerk een meer Halmaherees aanzien. Dit ging gepaard met de groei van het aantal leden tot 65.000 in 1965.

 

VERHOUDING TUSSEN MOSLIMS EN CHRISTENEN

 

De jaren na 1965 ‑ het jaar van belangrijke omwentelingen in Indonesië ‑ laten een verdere groei zien. Het ledental is in de afgelopen 25 jaar meer dan verdubbeld. Dit maakt dat het Christendom een factor van be­tekenis op Halmahera is. Er zijn nu op het eiland ongeveer evenveel moslims als christenen.

Dit geeft in de ogen van moslims te denken. Verschillenden onder hen beschouwen het Christendom als een westers product dat niet past In Azië Ook vrezen zij een versterking van de kerk ten koste van hun ei­gen positie. Op verschillende terreinen geeft dit spanningen, bijvoorbeeld op het gebied van kerkbouw of, zoals onlangs, bij de bouw van een christelijk ziekenhuis. Op het laatste moment gaven de autoriteiten daar­voor geen toestemming.

Die spanningen zijn niet van vandaag of gisteren. ZIJ vinden hun oorsprong in de tijd voor de komst van de UZV naar Halmahera. Zij gaan terug op de gespannen verhouding tussen het vroegere sultanaat Ternate en het aan het sultanaat onderhorige Halmahera.

Overigens moet gezegd worden dat moslims en christenen op Halmahera op veel plaatsen ook in grote har­monie kunnen samenleven.

 

ONTWIKKELING

 

Hoog in het vaandel van de Indonesische overheid staat het woord "ontwikkeling". De komende jaren zal de overheid miljarden besteden aan de ontsluiting en ontwikkeling van oost Indonesië. Ook Halmahera, lange tijd geïsoleerd zal daarvan de gevolgen merken.

De lokale bevolking ‑dat zijn dus ook de kerkleden‑ ervaart een ontwikkelingsachterstand. Dat wordt des te sterker gevoeld nu van het overbevolkte Java mensen overgebracht worden naar Halmahera om daar te boeren. Op Halmahera is immers nog ruimte genoeg. De lokale bevolking komt echter in de knel, als zij zelf niet een gezond boerenbestaan weet op te bouwen. Bovendien gaan de veranderingsprocessen in een ra­zend tempo. Dat grijpt diep in. Van afhankelijkheid van de natuur naar een agrarische cultuur waar je leeft in een dorp met een school en een kerk, en vaak een moskee. In de laatste drie jaren zijn dorpsont­wikkelingscooperaties opgezet en leren boeren en boerinnen te overleggen hoe zij hun land het beste kunnen beplanten en bewerken en boe zij moeten omgaan met geld.

De GMIH weet zich geroepen op deze ontwikkelingen in te gaan door samen met de mensen wegen te zoe­ken om voor hen een gezonde toekomst zeker te stellen. Daarbij verliest zij haar andere taak ‑ de verkondiging van het Evangelie ‑ niet uit het oog. Zo trekt in de regio Telaga Paca de kerk zich het lot aan van nomadisch levende bevolkingsgroepen. De kerk zet evangelisten en ontwikkelingswerkers in om met deze groepen het Evangelie te delen en te zoeken naar een nieuwe toekomst.

 

SAMENWERKING TUSSEN DE GMIH EN DE NEDERLANDSE HERVORMDE KERK

 

Hoewel de kerk van Halmahera zelfstandig is, is de relatie tussen haar en de Nederlandse Hervormde Kerk nooit verbroken. De GMIH en de Raad voor de Zending hebben hun verbondenheid een oecumenisch‑mis­sionair karakter gegeven. Vorig jaar omschreef de GMIH deze relatie als: "Gezamenlijk dienen en bouwen". Daarmee brengt zij een visie op de toekomst tot uitdrukking, alsmede het ‑naar haar gevoel‑ onvoltooide verleden.

Deze samenwerking komt onder andere tot uitdrukking in een dessa ontwikkelingsprojekt. Een deel van de kerketuinen is door de synode ter beschikking gesteld aan dit project Met financiële steun van de Raad voor de Zending richt dit centrum voor plattelandsontwikkeling zich op de lokale bevolking, om hen te helpen een goed bestaan op te bouwen. Het gaat hierbij om de ontwikkeling van landbouw en veeteelt en om de bouw van gezonde woningen. Mensen wordt geleerd verantwoordelijkheid te dragen als lid van de christe­lijke gemeente en als lid van de samenleving.

Niet minder belangrijk is de vorming en opleiding van kerkelijk kader. Allereerst gaat het daarbij om de op­leiding van gemeentevoorgangers. In Tobelo is een theologische opleiding. Drs. H.G. Schuurman wacht op dit moment op een visum om aan deze opleiding zijn krachten te geven. Daarnaast zal hij meedoen in het werk van de kommissie voor vorming en toerusting van kader in de gemeenten: trainingen van kerkenraden zondagsschoolleiding, organisaties van vrouwen, mannen en jeugd. Zijn vrouw zal zo mogelijk gaan participeren in projecten voor basisgezondheidszorg.

Een andere vorm van samenwerking is het verstrekken van beurzen. Op Midden‑Halmahera leven 25.000 christenen. Uit hun kring komen slechts 15 christenonderwijzers voort, zodat de christelijke scholen daar niet‑gekwalificeerde onderwijskrachten gebruiken of moslimonderwijzers aantrekken. Doordat men in de gelegenheid gesteld wordt een opleiding te volgen wordt het christenkader versterkt.

De Nederlandse Hervormde Kerk investeert in de relatie en samenwerking met de GMIH rond de f350.000 ­per Jaar, inclusief de uitzending van de familie Schuurman‑Bikker. Achter dat kille bedrag gaat de overtui­ging schuil, dat de in het verleden begonnen taak in onze tijd dient te worden voortgezet in samenwerking met de christenen van Halmahera. Nog steeds gaat het om de verkondiging van het Evangelie, nog steeds gaat het om dienst aan mensen in hun eigen situatie. Dat is de zending van de Nederlandse Hervormde Kerk. Dat is ook de zending van de Gereja Masehi Injili di Halmahera. Tot op de dag van de terugkeer van onze Heer.

 

Oegstgeest, mei 1991                                                   J. Slob

                                                                                   H.G. Schuurman