1 Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, vroeger van Mr. Is. An. Nyhoff en P. Nyhoff, thans van Dr. R. Fruin, 3e Reeks, 3e Deel bl. 161 vlgg. Ook opgenomen in het Nieuws- en Advertentieblad voor Doesburg en omstreken van 1886.
 

2 Nieuws- en Advertentieblad. Ibidem.

 

3 Achter zijne Dissertatie, In quo nonnulla juris hodierni loca explicantur vindt men o.a. de thesis: Praeclare et vere Cl. van Heusde, Brieven over het Hooger Onderwijs pag. 213: "Ik ken geene vrijheid die niet zelfstandig is, maar ook geene zelfstandigheid die niet van jongs af langzamerhand door oudermin, door vriendschap, door liefde kracht heeft gekregen".

 

4Deze was een kleinzoon van Henricus Hoogeveen, den geleerden schrijver de particulis Graecis enz.
 

5Voor de schets van zijne werkzaamheden bij den Hoogen Raad is dankbaar gebruik gemaakt van mededeelingen mij welwillend verstrekt: door Mr. R�mer, zijn lateren ambtgenoot en daarna Proc.-Gen. bij dat rechtscollege, door Mr. Kappeyne van de Copello die in zoo menig pleidooi met hem van gedachten wisselde, en door zijn oudsten zoon, Mr. A.F.L. Gregory, thans 's vaders opvolger.

 

6 Ned. Rechtsspraak Deel 43 � 14 b. 91.
 

7 Hijzelf hechtte er aan, de auteur te zijn van de jurisprudentie van den Hoogen Raad, waarbij de rechter zich ratione materiae alleen dan aan de zaak onttrekt wanneer deze tot eens anders (administratieve) bevoegdheid behoort, en niet wegens eigen onbevoegdheid. Van overwegend belang was ook zijne conclusie in de moeielijke zaak van het Sint Anthony Gasthuis tegen de gemeente Leeuwarden, beslist bij arrest van 8 Febr. 1861 (van den Honert, Gemengde Zaken XVIII : 29-75).

 

8 Weekblad van het Recht No. 2990.

 

9 Deel VIII: 273 vlgg., X: 71 vlgg. Voor dezen zeeheld heeft hij in 1885 met zijn eenigen broeder, den vice-admiraal F.A.A. Gregory, gesteund door bijdragen van het Koninklijk Huis en enkele belangstellenden, een marmeren gedenkteeken opgericht in de Groote of St. Martini-kerk te Doesburg.

 

10 Nieuwe Reeks, Deel IV, 344 vlgg.

 

11

Zie Mr. J. Dirks, Nederlandsche penningen van 1813-1863, II 132-134, no. 734.

 

12

Een belangrijk overzicht van hetgeen er geschied was, van Gregory's eigen hand, komt voor in de Provinciale Drentsche en Assercourant van 10 Maart 1873, en is later ook afzonderlijk uitgegeven. Door Mr. L. Oldenhuis Gratama werden G's verdiensten voor het behoud der hunebedden steeds dankbaar erkend, zie o.a. zijn in 1886 verschenen geschrift over dit onderwerp b. 3 vlgg.

 

13

Hoe vrij van partijzucht, ondanks eigen warme staatkundige overtuiging, Gregory was, blijkt wel uit het feit, dat hij, toen de Griffier in aanmerking kwam om tot lid van de Tweede Kamer der St. Gen. te worden benoemd, tot die verkiezing en tot de mogelijkheid dat de gekozene zijn mandaat zou kunnen vervullen, gaarne medewerkte, hoewel het gemis van den Griffier voor den Commissaris persoonlijk bezwaren opleverde, die bij de wederzijdsche goede verstandhouding zich te meer deden gevoelen.

 

14

Behalve de reeds vermelde opstellen gaf hij in zijn laatsten tijd nog in het licht:
1o. Den stuk over art. 138 Burg. Wetboek in de Nieuwe Bijdr. voor Rechtsgeleerdh. en Wetgeving Nieuwe Reeks Deel 7 (1881) blz. 69 vlgg.
2o. Laatste Berichten omtrent den Vice-Admiraal Wemberich van Berchem in de Bijdragen voor Vaderl. Geschied. en Oudheidkunde 3e Reeks 3e Deel (1886) blz. 221 vlgg.
3o. Mededeelingen omtrent de Kanseliers van de Militaire Willemsorde en van den Nederlandschen Leeuw in het Nieuws- en Advertentieblad voor Doesburg en omstreken van 2 October 1886.
4o. Sprokkelingen in hetzelfde Nieuws- en Advertentieblad in 1887.

 

15

In de Berlinische Nachrichten von Staats- und gelehrten Sachen van 22 November 1803 leest men over hem het volgende: �Am 12ten dieses starb zu Amsterdam der K�nigl. Geheim-Commercien-Rath, Resident und Consul Hr. Joh. Ludw. Gregory in seinem 72ten Lebensjahr. Derselbe war schon in seinen Privat-Verh�ltnissen ein merkw�rdiger Mann durch seine seltene Th�tigkeit, Einsicht, Biederkeit und Charakterst�rke. Noch mehr aber war er es f�r den Preussischen Staat, dem er als geborner Unterthan auch im Auslande stets mit lebendiger Treue und Innigkeit anhing, und besonders in den Posten als Consul zu Amsterdam, welchen er seit dem J. 1789 verwaltete, durch einen unerm�deten Diensteifer und die wirksamste Wahrnehmung so vieler ihm anvertrauten Angelegenheiten Preussischer Unterthanen ausgezeichnete und sehr erspriessliche Dienste geleistet had. Diese werden seinen Namen auch hier lange in ehrenvollen Andenken erhalten.�

 

16

Karakter, karakterschaarschte, karaktervorming Utrecht 1875.